Omdat er telkens opnieuw discussies ontstaan over wat nu wel, en wat niet "Bon ton" is bij milieukundige asfaltkeuringen en onderzoeken onderstaand kort ontstaansgeschiedenis en toelichting van de juridische bepalingen waar wij ons ( formeel) allemaal aan dienen te houden.
geschiedenis en ontwikkeling van de regelgeving:
In het verleden werden allerlei asfaltrecepturen gebruikt. In eerste instantie werd daarbij vooral gekeken naar de toepassingsmogelijkheden, lokaal en regionaal voor handen zijnde grondstoffen en wegeigenschappen. In later stadium kwam men tot de slotsom dat in allerlei asfaltrecepturen nogal wat (kool-)teer werd gebruikt, waardoor soms zeer hoge waarden aan PAK(10-VROM) werden gemeten bij controle. Dit soort controles ontwikkelde zich stukje bij beetje vanaf eind jaren tachtig van de voorgaande eeuw. Toen immers werd duidelijk dat allerlei gebruikte stoffen niet alleen gebruiksvreugde brachten, maar tegelijkertijd schade toebracht aan ons leefmilieu. Het streven werd steeds nadrukkelijker om dergelijke stoffen niet langer te gebruiken, en te vervangen door substanties welke geen milieuschade toebrengen, en tegelijkertijd zoveel als mogelijk is reeds gebruikte milieuschadelijke recepturen uit het maatschappelijk verkeer uit te nemen en duurzaam te verwijderen.
Het systeem van onderzoek wat daar voor nodig was ontwikkelde zich stukje bij beetje. Het eufemisme mag daarbij wel zijn dat er weliswaar regels werden afgesproken en toetsingscriteria werden vastgesteld, maar dat er in het praktijkveld een tamelijk brede groep was in die jaren die met veel vreugde en tamelijk creatief regeltjes boog tot voor hen bruikbare en/of kostenbesparende/winstgevende alternatieven. Overigens wordt er nu ten onrechte tamelijk algemeen in de richting van het bedrijfsleven gewezen. Gemakshalve wordt de rol van (vooral lagere en autonome) overheden in dit spel buiten beschouwing gelaten. De uitwassen van dergelijke zaken leidden al tamelijk snel tot allerlei schandalen, waarna de Wetgever opnieuw ingreep, nadere regelgeving uitvaardigde en, in de hoop list, fraude, en bedrog uit te bannen, ook een systeem invoerde van certificering van monsternemers, monsternemingsbedrijven en milieutechnische onderzoekslaboratoria.
Dat in die uitgevaardigde regels, en in de uitwerking ervan, vervolgens een groot aantal oneffenheden, hiaten en fouten zaten mag duidelijk zijn en is vooral toe te schrijven aan het "polder-model"" dat meer streeft naar consensus tussen betrokken partijen als naar praktische en eenduidige uitwerking van regels. Dat laatste is een typisch Nederlands fenomeen waar we voorlopig nog wel een poosje mee zullen moeten leren leven.
Per 1 juli van het jaar 2000 werd het Bouwstoffenbeluit van kracht. Hierin werd onder andere bepaald dat alle bouwmaterialen en al dan niet vormgegeven bouwstoffen, welke op en/of in de bodem worden toegepast, dienen te worden gekeurd, en MOETEN voldoen aan minimale eisen ten aanzien van hun samenstelling, en/of maximaal toegelaten uitloging van in de receptuur aanwezige milieuverontreinigende componenten naar de ondergrond.
Ook gaf het Besluit aan wie dergelijke keuringen mochten volvoeren. In de praktijk zijn dit altijd SIKB-BRL-1000 serie gecertificeerde bedrijven. In de praktijk zijn de meeste gecertificeerde milieutechnische onderzoekbureaus.
Het nummer van de certificatie voor asfalt binnen de SIKB-BRL-1000 serie is vervolgens tot 2 x toe gewijzigd.
Na de inwerkingtreding van het Besluit bodem Kwaliteit per 1 juli 2008 ( de vervanger/opvolger van onder andere het Bouwstoffenbesluit). Heeft de SIKB- het bemonsteren en keuren van asfalt per 29 juni 2009 ondergebracht onder protocolnummer 1003.
Onder het Besluit bodem Kwaliteit (BbK), in de wandelgangen ook wel de KWALIBO-regeling genoemd, is het hele keuringsregime nader gepreciseerd. Niet alleen dient de monsternemer gecertificeerd te zijn voor het betrokken protocol, maar sedert die datum moet hij/zij ook voor komen op de toegelaten lijst van monsternemers. Dit tezamen met het bedrijf waarmee een dienstverband bestaat. Dus... zowel bedrijf als monsternemer dienen te zijn gecertificeerd en moeten zijn ingeschreven bij, en erkend door SenterNovem. Deze laatste is hiertoe de door de Wetgever aangewezen controlerende instelling.
Het laatste nieuwe protocol voor asfalt onderzoek, het SIKB-BRL1003 (zie www.sikb.nl) geeft tot in detail regels voor hoe asfalt dient te worden onderzocht.
De praktijk:
De theorie van Regelgeving is 1 ding. Hoe je regels in de praktijk toepast een geheel andere.
Om dat uit te kunnen leggen is het goed dat het hele proces van asfaltkeuring wordt opgedeeld in een aantal (als het goed is) elkaar opvolgende onderzoekssegmenten, te weten:
1. Historisch Vooronderzoek;
2. Asfaltboren en monstername;
3. Analyse van asfaltkeren conform het BbK;
4. Conclusies verbinden aan het bovenstaande.
Ad. 1 Historisch vooronderzoek
Bij het in werking treden van het Bouwstoffenbesluit werd er destijds bewust voor gekozen dat de monsternemer geheel onafhankelijk (in de uitleg feitelijk onwetend) diende te staan ten opzichte van het te bemonsteren materiaal. Dit gold voor alles, dus zowel voor grond als voor bijvoorbeeld stoepbanden. Al snel kwam men tot de ontdekking dat dit niet zo'n handig uitgangspunt was.
Zo is de kwaliteit van een te bemonsteren oppervlakte grond vooral afhankelijk van het gebruik van de grondstuk in verleden en heden, en is bijv. de kwaliteit van beton en asfalt sterk afhankelijk van de gebruikte recepturen in de loop der tijd.
Het is het intrappen van een open deur als ik stel dat beton uit de periode van bijv. 1930 qua samenstelling heel ander materiaal is, dan beton anno 2010. Dan hebben we het nog niet eens over locale en/of regionale invloeden welke veroorzaakt zijn/worden door locaal en/of regionaal beschikbare (toeslag) materialen.
We leerden proefondervindelijk dat de kwaliteit van een te keuren materiaal sterk afhankelijk kan/zal zijn van zowel het tijdsbeeld waarin is geproduceerd, alsook het gebied waar dat is geschiedt.
Soms kan ook het doel waarvoor een materiaal is toegepast sterk van invloed zijn op het recept. Een mooi voorbeeld hiervan is het aantreffen van asfaltbeton rondom een draaitrommeloven van een grote afvalverbrander ergens te lande, welk materiaal bij onderzoek hoge concentraties amfibolen (asbest) bleek te bevatten. Achteraf gezien logisch, omdat in het tijdbeeld van productie en aanleg van de betrokken installatie, en de benodigde eigenschappen van het asfaltbeton vooraf duidelijk vaststond dat het niet kleverig en zacht mocht worden als gevolg van de temperaturen welke in de oven zelf woedden.
Als we kijken naar "asfalt" dan valt op dat over de recepturen van dit materiaal publiekelijk feitelijk weinig bekend is. Ik heb tot heden toe geen databank kunnen terugvinden waarin de diverse recepturen van de molens die in heden en verleden hebben geproduceerd eenduidig zijn vastgelegd. Een dergelijke databank zou zeker handig zijn, omdat het aan monsternemers en adviseurs een beeld kan verschaffen van de te verwachten kwaliteiten van materiaal, maar ook van de risico's in ARBO/ERBO technische zin, dat borend personeel mogelijk loopt. Dit zeker als "droog" wordt geboord.
Wie de ouderdom van een asfaltdek en haar underlayment kent, kan globaal ook wel uitrekenen wat kan/mag worden verwacht in milieutechnische zin. Ook hier een paar korte opmerkingen: Hoe jonger asfalt is, hoe meer kans er bestaat dat het asfalt zeer zwak tot niet teerhoudend is, en dus voor hergebruik geschikt na uitbreken. Tegelijkertijd is het underlayment (meestal menggranulaat 0-40) uit de periode 1980 - 1998 minimaal als asbestverdacht aan te merken. bijvoorbeeld.
De conclusie met betrekking tot historisch vooronderzoek mag zijn dat het handig is om zoveel als mogelijk is te weten over ouderdom en herkomst van asfaltdek en onderliggende fundering als tot onderzoek wordt besloten.
2. Asfaltboren en monstername;
Zoals bovenstaand reeds uitgelegd: asfalt boren en keuren ten behoeve van wat dan ook is een bezigheid welke formeel alleen door daartoe bij SenterNovem in de analen opgenomen bedrijven en monsternemers mag geschieden. Dat de praktijk een andere is, dat weten we allemaal. Er wordt niet of nauwelijks op gehandhaafd, zodat degenen die de moeite nemen om hun personeel extra op te leiden, te begeleiden en te ondersteunen, zoals dat door protocol SIKB-BRL1003 wordt geëist, in realiteit tot aan dit moment praktisch met lege handen blijven staan. Ook opdrachtgevers (meestal overheden) interesseert slechts de laagste prijs voor de werkuitvoering. En juist die opdrachtgevers, die toch eigenlijk het goede voorbeeld zouden moeten geven, lappen de regels met het grootste gemak aan hun laars. Handhaving van regels wordt binnen dit deel van het vak absoluut ondergeschikt gemaakt aan kostprijs. Onafhankelijkheid van de monsternemer, maar ook de juridische houdbaarheid van conclusies zijn dan al helemaal niet meer aan de orde.
Monstername’s voldoen daarmee meestal niet aan de door de wet gestelde eisen, edoch desondanks heb ik niet de indruk dat er erg veel fout gaat. Dat heeft vooral te maken met het feit dat de asfaltmolens gemiddeld goed alert zijn op het materiaal dat ze voor hergebruik krijgen aangeboden.
Er zijn natuurlijk wel aandachtspunten. Zo zijn er wegen waar laag over laag over laag is gedraaid. Dit soms vanuit de noodzaak een weg zo kort mogelijk aan het verkeer te onttrekken. Laagsgewijze analyse is dan wel een must, omdat de samenstellende delen van een asfaltkern van zeer onderscheiden ouderdom, en daarmee samenstelling, kunnen zijn.
Daarnaast hebben wegvakken vaak reparaties ondergaan en/of uitbreidingen. Ook dat hoeft lang niet altijd met hetzelfde asfaltrecept te zijn gebeurd. De kennis en het visueel inlevend vermogen van een monsternemer is dan van eminent belang voor het resultaat van het totale onderzoek en haar conclusies.
3. Analyse van asfaltkeren conform het BbK;
En dan is er nog de labtechnische kant: De Wet schrijft voor dat monsters moeten worden voorbehandeld en behandeld conform de regeling AP-04. In die regeling zijn alle labtechnische uitvoeringsvereisten tot in minuut beschreven. Voor heel veel verschillende monsters is die procedure goed uitvoerbaar. Dit omdat de meeste soorten monsters bijv. tijdens hun voorbehandeling heel goed cryogeen te homogeniseren zijn. De vraag is: hoe kwarteer en homogeniseer je een asfaltkeren? Maar vooral... hoe zinvol is dat? Zoals gezegd: Het is vooral het per laag toegepaste materiaal dat bepaalt of een "laag" al dan niet teerhoudend is en/of separaat moet worden uitgenomen. PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) worden onder AP-04 condities vooral onderzocht met de GC-MS ten HPLC technieken. Toepasselijke normstellingen zijn dan vooral: NEN-6971, NEN-6972, NEN-6974, NEN-6976 en NEN-6977. Daarbij maakt het in de praktijk nauwelijks uit of onder de condities van de NEN-5740 (verkennend bodemonderzoek en aanverwante)en voorbehandelingsmethode AS-3010 of onder de SIKB-BRL-1003 (asfaltonderzoek) met voorbehandeling conform AP-04 wordt onderzocht. Na de laatste serie aanscherpingen van de AS-3000 serie zijn beide methoden binnen de bandbreedte van de altijd aanwezige laboratoriumtechnische meetonzekerheidsfactor even goed en zeker uitwisselbaar te gebruiken.
Dit geldt overigens niet voor de DLC methoden waarvan de toepassing tamelijk onlangs in een door Grontmy voor Rijkswaterstaat geschreven onderzoeksprotocol terecht kwam. De methode is niet onder AP-04 geaccrediteerd., en is dus niet toegelaten.
4. Conclusies verbinden aan het bovenstaande.
De Grondwet zegt dat alle Nederlanders geacht worden De Wet te kennen. Uit de jurisprudentie van De Hoge Raad blijkt daarna dat dit automatisch ook inhoudt dat een ieder wordt geacht De Wet na te leven en toe te passen. Dit uitdrukkelijk tenzij toepassing van de Wet uitdrukkelijk onwenselijk en/of onredelijk is. Dat noemen we dan het redelijkheids- en billijkheids- principe. Maar, dat principe kan dan altijd door de Rechter worden getoetst.
Op zich zijn er voldoende gecertificeerde bedrijven en monsternemers beschikbaar om op onafhankelijke wijze van verwijderaars, hergebruikers en verwerkers alle in Nederland noodzakelijke monstername's binnen dit deel van het vakgebied tot stand te brengen.
Op grond van de in het Besluit bodem Kwaliteit geformuleerde eisen en uitgangspunten is de transparantie, waarnaar met de regelgeving wordt gestreefd, ook nodig, nuttig en wenselijk. Al was het maar om de geringste schijn van mogelijk gesjoemel voor te blijven.
Een andere vraag is of de kwaliteit van de gecertificeerde monsternemers gemiddeld in orde is of niet. Ik neig ernaar hier in een aantal gevallen aan te twijfelen. Het boren van een gat in een stuk asfalt kun je op zich een orang-oetang nog wel leren. Plaatsbepaling en een correcte beoordeling van veiligheidsrisico's, uitlezing van de kwaliteit en aard van wegdek etc. kun je dat beest zeker niet leren. Er is dus zo iets als "ervaring". Wij hebben een tweetal voor dit vakgebied zeer kundige monsternemers ter beschikking, maar ik ben de eerste om acuut toe te geven dat de man of vrouw die 40 jaar met de neus boven op het zwarte goud of op boorkernen heeft gestaan wellicht meer kennis en kunde in de pink heeft over de verwerkingsgeschiedenis van asfalt dan wij in ons hele lijf hebben. En de...... cursussen die hier tot nu toe over gegevens zijn, zijn in mijn ogen absoluut onvoldoende om de gemiddelde gecertificeerde monsternemer voor dit specifieke vakgebied op een acceptabel peil te brengen. In ons geval is het de jarenlang niet aflatende hulp van mensen van de ZAO, KWS, M.J.Oomen en nog veel anderen geweest, die onze mensen de vakkennis heeft bijgebracht die er nu is. Maar...... op het gebied van opbouw van historische achtergrond kennis bijvoorbeeld valt er ook voor ons bedrijf nog enorm veel te leren.
De kernvraag is of je met uitsluiting van de zeer ervaren medewerkers binnen de wegenbouwers, die het gevolg is van deze wettelijk verplichte certificeringslag, op dit ogenblik niet heel veel kennis en/of onderkenning van mogelijke problemen onder de mat gaat schuiven. Het paard achter de wagen spannen heet dat in verstaanbaar Nederlands. en ook het spreekwoord: elke verandering is nog geen verbetering, kan hier opgeld doen. Ik zou ervoor willen pleiten om eerst kennisoverdracht goed te regelen alvorens een dergelijke stap generiek gaat worden gehandhaafd. Overigens is een dergelijke, door De Wet afgedwongen werkwijze, vanuit oogpunt van onafhankelijkheid en transparantie mijns inziens op zich en op termijn wel een juiste. Het gaat mij vooral om de wijze waarop de certificering en/of regelgeving wordt ingevoerd. Dat moet vooral redelijk, billijk en met verstand.
En dat wilde ik ter lering, ter overdenking, en ter verbetering toch een keer aan u allen kwijt.
Willem
Willem Hajee is de KAM Coördinator van De BodemOnderZoeker BV uit Arnemuiden.
Dit bedrijf is gespecialiseerd in alle vormen van verkennend en inventariserend bodemonderzoek, bouwstoffen-, en asbest onderzoek.
|